Home Verjaringstermijnen

PostHeaderIcon Verjaringstermijnen

Artikel 70 wetboek van strafrecht

  1. Het recht tot strafvervolging vervalt door verjaring:
    • in drie jaren voor alle overtredingen;
    • in zes jaren voor de misdrijven waarop geldboete, hechtenis of gevangenisstraf van niet meer dan drie jaren is gesteld;
    • in twaalf jaren voor de misdrijven waarop tijdelijke gevangenisstraf van meer dan drie jaren is gesteld;
    • in twintig jaren voor de misdrijven waarop gevangenisstraf van meer dan tien jaren is gesteld.
  2. In afwijking van het eerste lid verjaart het recht tot strafvordering niet voor misdrijven waarop levenslange gevangenisstraf is gesteld.

Artikel 71 wetboek van strafrecht (verkort weergegeven)

  1. De termijn van verjaring vangt aan op de dag nadat het misdrijf is gepleegd, behoudens in het in lid 3 gestelde:
    • lid 3: Bij de misdrijven omschreven in de artikelen 240b en 242 tot en met 250 en 273f, dan wel 300 tot en met 303 voor zover het feit oplevert genitale verminking van een persoon van het vrouwelijke geslacht en gepleegd ten aanzien van een persoon die de leeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt, op de dag na die waarop die persoon achttien jaren is geworden.

Artikel 72 wetboek van strafrecht

  • Elke daad van vervolging stuit de verjaring, ook ten aanzien van anderen dan de vervolgde.
  • Na de stuiting vangt een nieuwe verjaringstermijn aan. Het recht tot strafvordering vervalt evenwel ten aanzien van overtredingen na tien jaren en ten aanzien van misdrijven indien vanaf de dag waarop de oorspronkelijke verjaringstermijn is aangevangen een periode is verstreken die gelijk is aan twee maal de voor het misdrijf geldende verjaringstermijn.

Toelichting:

Toon toelichting

Zoeken